dinsdag 21 maart 2017

De aangepaste bovenkaak van Placodus gigas

In 2015 heb ik een foto gemaakt van een fossiel in het nu tijdelijk gesloten Museum Naturalis te Leiden en deze omgezet in een kleurpotloodtekening.

Placodus gigas, fossiel in Naturalis
Op de laagste verdieping was (de tentoonstelling en gebouw wordt vernieuwd) een overzicht van het leven door de era heen. Vanaf het allereerste begin uit het pre-cambrium tot en met de zojuist uitgestorven dieren. De verdiepingen erboven lieten het huidige leven zien (nu ja, leven ... opgezet, gedroogd of op sterk water).

Het door mij getekende fossiel is een bovenkaak van een soort uit het genus Placodus. De soortnaam is Placodus gigas.
Het genus Placodus is een uitgestorven geslacht van mariene reptielen, behorende tot de orde der Placodontia.

Citaat uit Wikipedia:
Placodontia vormen een orde van mariene reptielen uit het Trias. Zij worden gerekend tot de Sauropterygia, de superorde die ook de Pleistosauriërs omvat.
Placodonten worden gekenmerkt door hun schildpadachtige voorkomen. Ze waren meestal tussen de één en twee meter lang, maar de grootste soorten konden wel drie meter lang worden.
De Placodontia waren van alle mariene reptielen de minst gespecialiseerde zwemmers. Gedurende de ongeveer 35 miljoen jaar dat ze voorkwamen, leefden ze niet in open zee maar alleen bij de kust, vermoedelijk in moerassen.
Placodontia leefden van schelpdieren.
De eerste fossiele Placodontia werden gevonden in 1830, waarna andere vondsten volgden in heel Europa en het Midden-Oosten.

Placodes gigas (Bron: https://en.wikipedia.org/wiki/Placodus )

Reconstructie van Placodes gigas (Bron: https://en.wikipedia.org/wiki/Placodus )


Botjes van Placodes gigas (Bron: http://www.reptileevolution.com/placodus.htm )
















In het bovenstaande beenderenoverzicht is te zien dat de bovenkaak voorin kennelijk tanden hebben gezeten.

Bovenkaak met tandholtes

Die tandholtes van deze tanden kon ik niet terug vinden op het fossiel.
 
Geen tandholtes, zelfs geen aanduiding daartoe
Dat is jammer, want hierdoor wordt je op het verkeerde been gezet. Ik dacht dat het dier zijn voedsel als een lepelsteur zijn voedsel opgroef en zo naar binnen lepelde.
Niet dus.
 
Met dit fossiel is nog meer aan de hand. Het "lepeltje" is gerepareerd of aangepast. De foto op internet heeft een veel kortere lepel dan die op mijn foto. Ook de vorm en de structuur is veranderd.
 

Hetzelfde fossiel uit Naturalis, maar met een kortere "lepel"
(Bron: https://en.wikipedia.org/wiki/Placodus )
 
Detail uit vorige foto.
Let ook op de dwarsnaad!
Als je toch rommelt aan het fossiel, waarom dan niet meteen tandholtes aangebracht?
Als je het ethisch doet, geef je duidelijk aan wat toegevoegd is, bijvoorbeeld door een andere kleur of materiaal. Dan dan kun je met een gerust hart desnoods ook de tanden aanbrengen. Een gemiste kans.

Als je iets tekent, dan gaan details opvallen. Je onderzoekt het onderwerp verder op internet en dan zie je zo iets. Jammer dat ik dit onderzoek pas gedaan heb na het tekenen, dus ook mijn tekening heeft de "fout".

Mijn tekening is ditmaal op A3-formaat en getekend in kleurpotlood. Voor de belettering had ik goed het Phantom-line 100-apparaatje uit mijn eerdere blog "Lijnentrekkerij..." kunnen gebruiken!

Getekend naar een foto gemaakt in Museum Naturalis


zondag 19 maart 2017

Bladvlo

In mijn blog over het wilgenkatje staat ook een insect afgebeeld. Ik wist toen nog niet wat dat kon wezen, maar ik vermoedde wel dat het een laatste larvehuidje was van een insect. Maar van welk type en soort insect? Ik dacht een schildluis.

Een schildluis?
Nee, het blijkt geen schildluis, maar een bladvlo, een soort uit de superfamilie Psylloidea (Hemiptera: Sternorrhyncha: Psyllidae).

Het is inderdaad een vervellingshuidje, maar niet het laatste. Dat is opengebarsten om de laatste, vijfde, larve (nymf) uit te laten sluipen.

Bladvlooien hebben een onvolledige gedaanteverwisseling als ze vanuit het ei gaan groeien. Dat wil zeggen dat ze een aantal keren hun huid (= exoskelet) laten openbarsten, dan vlug groeien voordat ze weer droog en verstard zijn. Die tussenstappen worden nymfen genoemd. Bladvlooien doen dat 5 keer. Uit de vijfde komt dan het vliegende insect.

Volledige gedaanteverwisseling werkt als bij vlinders, vliegen en kevers: ei - larve - pop - volwassen dier.

Van ei tot en met laatste nymfe-stadium
(Bron: A. van Frankehuyzen: "Schadelijke en nuttige insecten en mijten in fruitgewassen, pagina 99 )
Mijn tekening lijkt erg op de vierde larve L4. Zelfs de haren aan het uiteinde heb ik gezien en getekend. Wat ik als zijkant heb aangeduid en waarvan ik dacht dat de linker kant gebroken was, blijkt de linkerkant juist getekend en de rechterzijde niet. De linkerzijde zijn twee lamellen waaruit later twee vleugels ontstaan. Zo ook rechts, maar daar had ik de naad niet gezien. Bij nacontrole blijkt die er toch ook te zijn, alleen bijna onzichtbaar overgaand van de ene "vleugel" in de andere. Een correctie die met een eenvoudig potloodstreepje is op te lossen.
De larven hebben ook ogen, maar die kon ik op mijn beest niet zien (ook niet nu ik weet dat ze ogen hebben). De ogen zitten onder viezigheid en wat er van te zien is heeft geen andere kleur of structuur. Wel is het iets donkerder daar.

Soortbepaling.

Dat is niet eenvoudig. Er zijn er enkele honderden in Europa en in Nederland, maar ze komen niet allemaal op dezelfde planten en bomen voor. Op de wilg komen er minstens vijf voor. De restanten zijn te incompleet te proberen het dier te determineren, dus ik laat het verder hierbij. Niet alle larven zijn trouwens beschreven, dat maakt het dan onmogelijk. Het is al leuk dat ik nu weet hoe een bladvlooienlarve eruit ziet.

Ik heb wel een soort gevonden die erg lijkt op mijn tekening en dat is de perenbladvlo. Perenbladvlooien heb je ook weer in soorten. De foto's van enkele Perenbladvlooien zijn hieronder afgebeeld ter illustratie.

Een L4-nymfe.

Een Perenbladvlo-nymf   ( Cacopsylla pyricola Foerster ) in het vierde stadium L4
(Let op de staartdraden!)

(Bron: http://www.ipm.msu.edu )
Een volwassen bladvlo.

Een volwassen Perenbladvlo ( Cacopsylla pyricola Foerster ) (Bron: http://bugguide.net/ )







Lijntrekkerij en teksten toevoegen

Phantom-line 100

Vorige week heb ik in een kringloopwinkel voor 5 euro een curieus tekenapparaatje gekocht voor het maken van teksten op papier. Meer uit nieuwsgierigheid of zoiets kan werken. En het werkt! Dit lettertekenapparaat komt uit de kalligrafiewereld, maar is evengoed te gebruiken voor de teksten op natuurtekeningen (in het net).

Het gaat om een Phantom-Line 100 Optical Lettering Guide. Zoals de titel al zegt gaat het om een optisch systeem. En wel spiegeling en doorzicht. Je gebruikt het apparaat als je geen potloodstrepen kunt of wilt trekken op het papier om recht en in lijn te kunnen schrijven. Zo'n tekst kan bijvoorbeeld een soortnaam van een plant op een botanische tekening of aquarel zijn, of een beschrijving van wat je ziet.
Een potloodlijn geeft altijd een groef of beschadiging van het papier door weggummen.

Het originele doosje
(Op internet zijn er vele varianten originele doosjes te vinden.
Waarschijnlijk een lange doorlooptijd gehad!)

In het kort komt het op neer dat je aan de ene zijde een kartonnetje legt met linieerpatroon. Behalve deze kaartje kun je natuurlijk ook je eigen kaartjes ontwerpen met een afwijkende regelafstand en eventueel afwijkende schrijfhoek.


Het te gebruiken lijnenkaartje wordt goed belicht en is daardoor onder een hoek gespiegeld op een half-doorzichtig donkere perspex-plaat.

Phantom-line 100

De bedoeling is dat je door de donkere plaat kijkt naar je potloodpunt. Je zult dan de gereflecteerde lijnen zie EN je potloodpunt (die ook voldoende is belicht om zichtbaar te kunnen zijn door het donkere perspex). Je kun dan gemakkelijk zonder verloop schrijven tussen twee virtuele lijnen. Als je groter wilt schrijven kun je één of meerdere lijnen overslaan.

Kijken door het donkere scherm naar de virtuele lijnen en schrijven maar...!

Omdat ik nieuwsgierig was of er een afwijking ontstaat door de hoek waarin gespiegeld wordt heb ik een test gedaan. Daaruit bleek dat de afstand tussen de virtuele lijnen over de gehele lengte gelijk blijft, tenminste bij de grootte van dit apparaat.

Test naar de maatvastheid uitlijning.
Zowel links als rechts is het 13 resp. 22 mm hoog!

De uitlijning in de hoogte is links en rechts hetzelfde, je gaat dus niet groter of kleiner schrijven. Voor de uitlijning is de kalibratie van het apparaat belangrijk. De virtuele lijnen mogen niet "boven" of  "onder" het papier liggen, want dan verloopt het en kun je bovendien minder goed je potlood op de juiste plaats neerzetten.
Het een en ander is na te lezen in de handleiding hieronder. Deze handleiding bestaat uit een voor- en achterkant. Op de voorkant wordt het gebruik uitgelegd, op de achterzijde de kalibratie.

Handleiding gebruik Phantom-line 100
Kalibratie Phantom-line 100

De werking van het apparaat in ogenschouw genomen moet het mogelijk zijn een groter apparaat te bouwen om bijvoorbeeld foto's, andere tekeningen of zelfs (planten-) objecten over te kunnen trekken. Een kleine test met een Helleboris-bloem gaf me gelijk. Alleen de dikte van het voorwerp kan parten gaan spelen doordat de hogere punten niet meer op het vlak van het tekenpapier komt te liggen, maar er ergens boven zweeft (net als de lijnen bij het niet gekalibreerde apparaat). Toch loont het de moeite dit eens een keer uit te proberen met wat restmateriaal.

Lettersjablonen

Een andere mogelijkheid om zonder potloodlijnen teksten te schrijven is gebruik te maken van een lettersjabloon langs een liniaal. Een nadeel is dat je gebonden bent aan het lettertype van de sjabloon. Het doet dan erg stijf aan. Terwijl je met de Phantom een eigen (fantasie-)letter kunt toepassen.



Lettersjablonen die je langs een vastgezette liniaal laat schuiven. (Bron: wikivisually.com )

Zijn potloodstrepen geen bezwaar kun je als laatste voorbeeld een variabele lijnentreksjabloon gebruiken. Deze is, in tegenstelling tot de Phantom, nog overal verkrijgbaar. Het werkt perfect, je hoeft niet meer de afstanden te gaan afmeten en dan maar hopen dat de lijnen door de hoek van je potlood op de juiste afstand staat t.o.v. elkaar. Dit sjabloon trekt de potloodlijnen steeds op dezelfde manier.


Bijschrift toevoegen
 

Als je op internet zoekt met de term "lettering guide" kun je nog veel meer oplossingen vinden. Van eenvoudige sjablonen tot elektronische tekenapparaten in inkt.

donderdag 16 maart 2017

Lentebode: De Narcis

Lente is geen lente als je niet tenminste de sneeuwklokjes, krokussen en de narcissen kunt bewonderen. De eerste twee planten had ik al in 2009 getekend, maar aan de narcis was ik niet nog niet toegekomen. Bij deze is dit manco aangevuld.


Overzichtstekening Narcis

Habitus Narcis
Zo op het eerste gezicht lijkt de narcis een eenvoudige bloem. Maar ook hier bedriegt de schijn. Het lijkt simpel. Een paar rechte bladeren, een lange steel met, meestal, één enkele simpele bloem. Ik dacht snel klaar te zijn, maar ik heb toch nog een heel blad kunnen vullen met details. Details waar ik het bestaan niet van vermoedde. Dat maakt dit onderzoekswerk nou juist zo leuk. Je haalt ergens een bloemetje vandaan en probeer dan de werking van de verschillende onderdelen te doorgronden en het liefst nog in relatie te brengen met het een of ander insect. Want daar zijn bloemen voor, aantrekking van insecten die dan behulpzaam zijn bij de bevruchting van de plant.

De wilg van de vorige blog is dan niet zo'n goed voorbeeld, hoewel de mannelijke katjes druk bezocht werden door bijen. Wilgen zijn in principe windbloeiers en worden door de wind bestoven. Insecten spelen hier geen rol in. De reden waarom er zoveel bijen op de katjes zaten is mij nog niet bekend. Dat is weer een onderzoek op zich.

De narcis bestaat zoals gezegd, in dit geval, een enkele bloem. Achter de bloem zit een verdikking die uitloopt in een steel die eerst in een open en dan in een gesloten vlies doorloopt in de steel. Die aanhechting is een verdikt glad gedeelte in de stengel. Naar onderen toe is de stengel geribbeld en verkleurd van helder groen, via lichtgroen en geel naar nagenoeg wit. Het witte gedeelte zit, net als de bladeren, weer in een vliezig bruin vel dat dicht gesloten is met hier en daar scheuren. Alle bloemstengels en bladeren zitten in dezelfde bruine scheden. Uiteindelijk mondt dit uit in een bol die bestaat uit een aantal witte vlezige rokken met een dito bruin vel dat alles omsluit. Onderaan zitten een aantal wortels, die overal even dik zijn en wit.

De bloem

De bloem van de narcis bestaat uit een nauwe oranje-gele buis die iets breder wordt tot waar de zes kroonbladeren bevinden. Na deze kroonbladeren gaat de buis breder wordend verder. Soms als een klok, maar hier flesvormig. De uiterste rand van de fles is gerimpeld. Onder de bloem is een verdikking in de stengel als de bloem bevrucht is. In deze verdikking zitten de zaden. De stamper loopt vanuit het binnenste van deze verdikking helemaal naar de uiteinde van de bloem. De stamper wordt geflankeerd door zes meeldraden die gedeeltelijk vastzitten aan de wand van het binnenste van de bloem. Het uiteinde van de meeldraden staan los en dragen de helmknoppen.

Verschillende onderdelen van de narcisbloem, vanaf de buitenzijde.
De meeldraden

De stengels van de meeldraden zijn in het begin vergroeid met de wand van de bloemkelk. Als ze vrijkomen steken ze in de ruimte en buigen op gegeven moment om naar de helmknop. Ze zitten daar vast op ongeveer een derde van onderen. De helmknop zelf is geel en heeft in doorsnede een H-vorm, zij het dat de uitlopers van de H vlezig afgerond zijn. In doorsnede zijn er twee die diep ingesneden zijn en twee ondiep. In één diepe kant zit de stengel van de meeldraad vast.

Bloemdoorsnede met details meeldraden.
De stamper met vruchtbeginsel

De stamper is een lange stok die helemaal doorloopt tot in het vruchtbeginsel. De stempel loopt iets plooiend naar buiten toe en heeft allerlei kristalachtige staafjes aan de rand.

Stempel.
Vanaf deze staafje kun je iets naar binnen kijken en is de stamper waarschijnlijk over de gehele lengte hol. Maar dat is na een paar millimeter al niet meer te zien. De stamper is geel en loopt door tot in de groene stengelverdikking.
De stamper is in doorsnede dik halvemaanvormig.

Doorsnede stamper.
Deze stengelverdikking (vruchtbeginsel) is een stengelverdikking. Als je het dwars doorsnijdt dan zie je een driedeling. Drie compartimenten die door drie lamellen van elkaar gescheiden zijn. Erom heen zit een vlies dat overgaat in de groene schil (bast). Al die elementen zijn met elkaar vergroeid. De overgang vlies-schil is naadloos.

In ieder compartiment zitten drie zaden op dezelfde hoogte en zijn per drie gestapeld.
Als je de verdikking in de lengte doorsnijdt zie je die stapeling duidelijk: 12 hoog.
Je kunt nu berekenen hoeveel zaden er minstens in één verdikking zit:

3 compartimenten met 3 zaden en 12 hoog = 3 x 3 x 12 = 108 zaden.

Minstens omdat bovenin (het dichtst bij de bloem) nog een aantal zaden zitten. Ik weet niet in hoeverre dit doorgroeit.

Stamper met doorsnede vruchtbeginsel.
De zaden

De onrijpe zaadjes zijn witvlezig en iets plakkerig. Het zijn kommavormige kleine boontjes die met een kleine uitloper vast zitten aan de "stam". Ze hebben grote rechthoekige cellen die min of meer meelopen met de kromming van de boon en lijken aan het uiteinde (dat is de andere zijde van de uitloper) samen te komen in een nogal warrige celgrootte, tot vierkant/rondachtig toe.

In die stam zijn verschillende langslopende lijnen te zien die uiteindelijk in de steel van de stamper terecht komen.

Kommavormige zaadjes.
De bloemstengel

De bloemstengel is hol en in doorsnede vanuit het midden afgevlakt, zodat je een oogvormige doorsnede krijgt. De bast van de stengel is geribbeld met verhoogde vlakke lijntjes die via hol gebogen valkjes met elkaar verbonden zijn. De stengel bint in de bol nagenoeg wit en gaat via geel, lichtgroen over in donkerder heldergroen. Behalve op de knoop bij de bloem, die is glad (zonder de ribbels) en lichter van kleur.

Blad en bloemstengel in detail.
Het blad

De lengte van het blad is ongeveer gelijk aan de lengte van de bloemstengel. Het is een lange strook die in doorsnede gebogen is met een paar ribbels aan de onderzijde. Geen spoor van een nervatuur. Behalve de ribbels is er eigenlijk niets te zien aan het blad. Misschien is het nog vermeldingswaard te melden dat het uiteinde van het blad scherphoekig is afgerond en iets naar buiten (onderen) is afgebogen.

De bol

De getekende bol is eigenlijk een scheut van een grotere bol. Daarom is ze kommavormig, ze zat als het ware om de grote bol heen. Vanuit de bol komen alle bladen en bloemstengels. De bol zelf is vlezig wit in lamellen, als bij een ui.
Deze lamellen komen vanuit een centrale kern die gelig is. Aan de andere zijde van deze kern zitten de witte wortels. Die kunnen zeer lang zijn en met elkaar en die van de grote bol zijn vervlochten.
De gehele bol (behalve de wortels) zit in een bruin vlies die bladvormig om de bol gedrapeerd is en uitmondt in een bruin vlies dat nauwgesloten om de stengels en bladeren heen zit.

Een uivormige bol

woensdag 15 maart 2017

Wilgentak, vrouwtje

In mijn vorige blog ontdekte ik dat wilgen tweehuizig zijn, dat er dus mannelijke en vrouwelijke bomen bestaan. Met ieder een deel van het voortplantingsorgaan. (Waar heb ik dat meer gezien?)

Het heeft even geduurd, want nergens was een vrouwelijke wilgenboom te vinden. De wilgen in mijn omgeving bloeiden niet, of waren geknot. Uiteindelijk is het me gelukt bij Het Klaphek (tegen IJsselstein en Nieuwegein aan) een rijtje bomen te vinden die nog als schietwilg groeiden. Ook hier stond in een rijtje van zes wilgen slechts één vrouwtje. Maar goed, één is genoeg.

Van zowel de vrouwelijke als van een mannelijke boom heb ik een takje met katjes meegenomen. De katjes van de mannelijke wilg stond nu ook goed te bloeien, dat wil zeggen dat de gele helmknoppen massaal buiten het katje uitstaken en het hele katje geel kleurden. Ook het stuifmeel zelf was goed aanwezig. Een gelige aanslag vond je overal, op de takken, en ook op de vrouwelijke katjes.

Wat me wel opviel was dat de katjes goed bezocht werden door bijen. Voor het stuifmeel of is er ook nectar te vinden?

Ik heb in mijn vorige wilgentaktekening de nu bloeiende onderdelen van de mannelijke tak en de vrouwelijke onderdelen toe gevoegd. Ik zal eerst het totale overzicht afbeelden en dan verder de details per geslacht.

Het complete verhaal van de bloeiwijze van de wilg!
De vrouwelijke tak.

Het katje van de vrouwelijke wilg is groener van habitus doordat de groenig-gele stampers massaal naar buiten steken en langer zijn dan de witte beharing en de zwarte onderliggende blaadjes. De beharing is korter, waardoor er ook meer te zien is van de zwarte blaadjes in de achtergrond van het katje.

Het vrouwelijke katje.
De opbouw van het katje is als volgt: Vanuit de tak gezien wordt de tak iets breder door aanhechting van een knop. De knop is beschermd door een roodbruine schub.

Roodbruine schubben aan de vrouwelijke tak met katje.
In de knop begint het katje. Uit die knop groeit een steeltje dat weerszijden voorzien is van vijf groene blaadjes en op dit steeltje groet verder het katje uit. Deze vijf blaadjes zien er uitzonderlijk uit. Ze hebben namelijk langs de gehele rand kleine knobbeltjes die ten opzichte van elkaar losstaan.


Bladrandknobbeltjes op kelkblaadjes katjes.
Die knobbeltjes lijken niet naar buiten te steken, maar de bladrand is iets omgekruld waardoor je ze van buiten af niet goed ziet zitten. Het doel van deze knobbeltjes ontgaat me, misschien zijn ze iets kleverig of hebben nectar. Een poging om naast windbestuiving, bevruchting te krijgen door insecten???

De beharing op die kelkblaadjes zijn verschillend aan de binnen en buitenzijde. Aan de binnenzijde zijn er alleen witte haartjes aan de basis; aan de buitenzijde over het gehele blad. Het blad zelf heeft een brede hoofdnerf en een aantal smalle zijnerven die in elkaar overlopen. De nerven zijn iets lichter groen gekleurd dan het blad zelf (die overigens duidelijke bladmoesklontjes heeft).

De steel van de stamper begint smal, wordt snel breed en loopt daarna langzaam smaller uit naar de stempel. De stempel lijkt in de grond op een helmknop. Met dit verschil dat de stempel afbuigt en zich splitst in twee verschillende stempels. Per stempel is min of meer een tweedeling te bespeuren. In wezen bestaat zo'n stempel dus uit vier lamellen die twee aan twee aan elkaar vergroeid zijn.

Naast de steel van de stamper ontspringt op vrijwel dezelfde plek een tweede structuur. Het is een gebogen staafje met een smal uiteinde die wel wat weg heeft van een stempel. De echte stempel loopt breder uit, deze is even smal als het staafje.

Stamper met een loos (schijn-?) stampertje.
Het katje is een opeenstapeling van clusters van zwarte blaadjes met een stamper en een schijnstamper. Deze clusters zijn zo gestapeld dat het lijkt dat de stampers van basis tot eind verticale rijen vormen.

Cluster van stamper, schijnstamper en harig zwart blaadje.
Aanvulling op de mannelijke tak:

De blog van 7 maart j.l. liet een mannelijke tak zien met katjes. Die katjes waren nog niet rijp, daar de meeldraden er nog als groene knobbels in het katje verscholen zaten.

Van dezelfde locatie als de vrouwelijke kat hierboven is ook een mannelijke meegenomen. Deze katjes bloeiden nu volop en de stuifmeeldraden staken ver buiten het katje.


De randen van de vijf groene blaadjes aan het begin van het katje zijn bij de Klaphek-katjes niet voorzien van bolletjes, maar van een zoom witte haartjes. Kennelijk hebben de bolletjes een vrouwelijke functie, maar geen idee wat.

Dat meeldraad-uitgroei geeft de gelegenheid de tekening aan te vullen tot het complete verhaal. Dat is de vorm en kleur van de volgroeide meeldraad en de mogelijkheid het stuifmeel zelf te bekijken onder de microscoop.

De helmknoppen waren de vorige keer vormloze klonten...

Zo zagen de helmknoppen eruit in onrijpe toestand.
Zo zien ze eruit als ze rijp zijn.
Nu hebben de helmknoppen een duidelijke vorm en kun je zien waar het stuifmeel vandaan komt. De helmknop is evenals het stuifmeel helder geel. Het steeltje is minder geel tot groen doorzichtig (net als de vorige keer).

De helmknop bestaat in eerste instantie uit een viertal "worsten" die aan elkaar zijn gegroeid. Deze worsten scheiden zich later tussen worst 1 en 2 en tussen 3 en 4. Uit deze openingen komen de stuifmeelkorrels. De andere (binnen)kant blijft aan elkaar zitten. Het steeltje zit halverwege vast in een holte tussen worst 1 en 4.

Door de talrijkheid aan stuifmeel is het gemakkelijk stuifmeel verzamelen voor microscopisch onderzoek. Ik heb een permanent preparaat gemaakt op een objectglaasje met een dekglaasje. Die heb ik bekeken onder de microscoop onder een vergroting van 1000x. Een aantal korrels heb ik opgemeten in doorsnee en de hoogte van zo'n korrel. Er is grote variatie, afhankelijk van ontwikkeling denk ik, maar de grootsten zijn 0,023 - 0,025 mm lang en 0,015 - 0,02 mm in doorsnede.

Vorm en maat van een wilgenstuifmeelkorrel.
Wat het meest opvalt onder de microscoop zijn de twee knepen in het oppervlak. Ik dacht in eerste instantie dat de korrel al uit gedroogd waren, maar de korrels zijn vers. Deze kneepjes (drie in totaal) horen bij de vorm van de stuifmeelkorrel. Zie de foto.
Stuifmeelkorrel van de schietwilg (Bron: http://www.vcbio.science.ru.nl )

dinsdag 7 maart 2017

Wilgentak (Salix)

Vorige week liep ik te grasduinen langs de rivier de Lek, zoals ik in mijn kinderjaren ook al deed op ongeveer dezelfde plek. Vroeger deed ik dat vooral bij Bergambacht (Bergstoep) waar ik woonde, maar daar zijn de rietkragen grotendeels verdwenen door herinrichting. Iets verderop, voorbij Ammerstol, is een nieuw (?) gebied aangelegd door het Zuid-Hollands Landschap.
Het is een rietkraag met een bosje erbij van wilgenstobben. De wilgentenen zaten er nog op. Die tenen hadden overigens nog geen katjes.

De wilgentakjes die nu getekend gaan worden dreven langs in het water van de Lek. Waar ze vandaan komen weet ik niet. Waarschijnlijk ergens losgeslagen tijdens de storm van een week eerder en doorgegroeid tot bloei in het water.

Het grote verschil met vroeger en nu is de waterkwaliteit. Begin jaren zeventig van de vorige eeuw was de Rijn en daarmee de Lek een open riool van chemicaliën vanuit het Ruhrgebied, maar vooral van de kalimijnen in Frankrijk. De kali kwam via de Maas en verbindende rivieren uiteindelijk in zee terecht via o.a. de Rijn. In die tijd was de Lek troebel van grauwgroene vlokken. Als je je hand erin stak was deze dito gekleurd en stinkend! Nu is het water helder en stinkt het niet meer. Gezien het grote aantal levende (en dode!) schelpen van riviermosselen moet het water schoon genoeg zijn om een populatie te handhaven. Die mosselen overigens zijn niet-inlands. Op het moment zijn er twee verschillende nieuwe soorten die elkaar beconcurreren. Of niet, want het schijnt dat de een meer houdt van snel stromend water dan de ander. Die soorten komen later aan bod om te tekenen (als ik ze tenminste allebei heb), maar nu eerst de wilgentakjes, of liever de "katjes" daarop.


Wilgenkatjes (linksonder) met een vervellingshuidje van een insect (rechtsboven)
Als de katjes nog niet in bloei zijn zitten ze in een enkele schub tegen de tak aan. Niet sluitend, maar er net los van.
Als het katje gaat bloeien barst de schub open en komt er een bolletje witte haren naar buiten, het z.g. "katje". Als het katje in volle bloei is, dan steken er meeldraden uit het pluis.

Mannelijke wilgenkatje (bron: www.hetweer.nl )

Bij het tekenen van de takken en de katjes viel het me op dat ik geen stampers kon vinden (de vrouwelijke organen), maar wel meeldraden (de mannelijke organen).

Op een Belgische natuursite vond ik het antwoord (bron: http://www.natuurstek.be ):

"De katjes leveren namelijk massaal veel nectar en stuifmeel waaraan de vroeg vliegende insecten zoals enkele dagvlinders maar vooral zandbijen en andere solitaire bijen, zweefvliegen, en nog een resem andere insecten zich tegoed doen. Zonder de wilgen zouden zij het veel moeilijker hebben om zo vroeg op het jaar aan het nodige voedsel te geraken.
Maar laten we eens goed naar die wilgenkatjes kijken. Je hebt daarin duidelijk twee soorten.
 
De ene groep is groenachtig gekleurd en heeft op de top van elk katje een of enkele witrafelige veertjes die de stempels van de vrouwelijke bloem zijn.
De andere groep heeft knalgele katjes met telkens twee of enkele gele knopjes op een wit stengeltje; dat zijn de mannelijke bloemen. Op een bepaald moment barsten die gele knopjes open en dan komt het stuifmeel vrij. De wind blaast het ver weg zodat er verschillende korreltjes op zo'n veertje van de vrouwelijke bloem vallen en zo voor de bevruchting zorgen.
 
In tegenstelling tot de meeste gewone bloemen die je kent zijn die van de wilg dus duidelijk helemaal anders gebouwd. Bovendien vind je alleen maar vrouwelijke of alleen maar mannelijke katjes aan één struik. Je kunt dus van ver al zien of een wilgenstruik mannelijk of vrouwelijk is. Groen is altijd vrouwelijk, geel altijd mannelijk.
 
Insecten vliegen op beide soorten omdat zowel op de vrouwelijke als op de mannelijke katjes nectar aanwezig is. Als je zo'n katje open prutst zie je de nectardruppels zitten. Dat is het voornaamste en energierijkste voedsel. Maar er zijn ook heel wat insecten die stuifmeel eten of het verzamelen voor hun larven. Insecten die deze mannelijke katjes bezoeken zijn helemaal geel bestoven van het stuifmeel dat in hun vacht blijft plakken."
 
De vrouwelijke katjes (Bron: http://www.natuurstek.be )
Mijn tekening is dus het halve verhaal. Goed opletten of ik ergens een vrouwelijke boom zie staan. Dat zal geen plezier opleveren daar ik allergisch ben voor boompollen, maar goed je moet er wat voor over hebben!

De tekening in details.

Allereerst valt op dat de tak aan het uiteinde lichter van kleur is dan aan het begin. Het uiteinde is door een vliezige bast en witte korte haartjes lichtgrijzig gekleurd. De rest van de tak is geelbruin. Als je een verse tak doorbreekt is deze lichtgroen. Uitgedroogde breuken zijn bruinig. De katjes zitten om en om aan de tak, maar niet helemaal 180° t.o.v. elkaar. Hoeveel wel viel niet op te maken, daarvoor was het te willekeurig. Bij de katjes liep de tak iets breder uit en ging via een roodbruin randje over in het katje. Dat randje heeft de vorm van iets tuitende lippen en volgt het begin van de schub. De schubben hebben dezelfde kleur als de geelbruine takken en zijn vaak voorzien van twee tot drie verticale golvingen ("ribben"), hegeen goed te zien is als je het plat legt.


Een platgelegde schub van een katje, met ribben.
(Let ook op de roodbruine rand aan het begin van de schub!)

Katjes en katjes in de schub.
Als je een katje doorsnijdt zie je een groene binnenzijde waarin iets lichtergroene buizen lopen.

Een doorgesneden katje.
Aan de rand van dit veld zitten de nog in hun kiem verscholen lichtgroene helmknopjes als bolletjes. Als je zo'n bolletje uitrolt zie je de juiste vorm van zo'n meeldraadknop. Deze is in dit stadium nog lichtgroen met een donkerdergroene (grasgroene) streep van het steeltje.

Meeldraden in wording.
Tussen de helmknoppen zitten zwarte blaadjes waarop de zilverkleurige haren zitten van het katje. Deze blaadjes zullen aanvankelijk geheel groen geweest zijn, maar naarmate ze ouder worden zwarter zijn. Op de gehele zijde zitten de witte haren verspreid. Deze haren zijn heel lang en vormen het uiterlijk van het katje.

Een blaadje binnen in een katje. Was groenig en loopt zwart aan.
Op een schub van een katje zit een vervellingshuidje van een insect. Ik heb nog niet kunnen vinden wat voor soort dier dit geweest kan zijn, waarschijnlijk een soort schildluis.

Een nauwelijks 2 mm groot insect
(N.B. De genoteerde maten zijn oculairmaatstreepjes, die nog geen gekoppelde SI-eenheid hebben) .
Rest mij dus nog twee taken:

1. Het vinden van een vrouwelijke boom met katjes
2. Het determineren van het insect.

Het eerste zal nog wel gaan, het tweede wordt moeilijk. Het is zo wie zo al heel moeilijk onvolwassen dieren op naam te brengen, daar er van de meeste soorten geen determinatietabellen bestaan. Dit dier is een laatste vervellingshuid, van ....?